> Archief > Geschiedenis college > Toespraak

:: Toespraak prof. Willaert

Leraarschap en charisma Frank Willaert
Bij de honderdvijftigste verjaring van het Bisschoppelijk College te Veurne 20 april 2002

Geachte genodigden,

  Van iemand die van de studie van de middeleeuwse letterkunde zijn beroep heeft gemaakt, zal het u niet verwonderen dat hij u onmiddellijk naar het verleden mee wil nemen. Niet naar de middeleeuwen weliswaar, maar naar zondag 9 september 1951, toen ons college zijn honderdjarig bestaan vierde. Degenen onder ons die er toen ook al bij waren, zullen zich herinneren dat het die dag prachtig weer was, en dat niet alleen de voorgevel van het collegegebouw met wimpels en bloemen was versierd, maar dat ook elders in de stad vele huizen feestelijk waren bevlagd.

                Een heel schooljaar lang had een inrichtend comité onder het voorzitterschap van de principaal deze heuglijke dag tot in de puntjes voorbereid. Een indrukwekkende stoet van zeereerwaardes en van hooggeleerden, van hooggeachten en van hoogedelen, van geneesheren, rechters, advocaten, notarissen en andere notabelen, vormde het erecomité, dat de jubelviering de nodige luister moest bijzetten. En één dag eerder had de erevoorzitter van de Bond van de oud-leerlingen, senator Marcel Sobry, via de radio — en wel in wat vele jaren later ‘prime-time’ zou heten: onmiddellijk na het één uur-journaal — de aard en het programma van de feestelijkheden bekend gemaakt. En zo kon heel Veurne er getuige van zijn hoe op die zondag in september, na een plechtige dankmis in de Sint-Niklaaskerk, een lange optocht van geestelijken en personaliteiten, van leraren en oud-leraren, van leerlingen en oud-leerlingen, achter chiro-banier en pausenvaan, achter Belgische driekleur, leeuwenvlag en Veurns blazoen, achter de Koninklijke Fanfare ‘De Melomanen’, langs Ooststraat, Nieuwpoortstraat en Appelmarkt opstapte naar de Grote Markt, waar onder het trompetgeschal van de Katholieke Turnmaatschappij ‘De Sporkinzonen’ voor het stedelijk gedenkteken der gesneuvelden een krans werd neergelegd en een afvaardiging op het stadhuis ontvangen werd. Waarna men verder ging, in een weidse boog langs Zuidstraat, Lindendreef en Sporkijnstraat naar de Sint-Jozefszaal, voor de academische zitting, die niet alleen met toespraken, maar met een speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde ‘Eeuwfeest-cantate’ opgeluisterd werd. Het was al diep na de middag, toen iedereen zich naar het college begaf. Daar werd eerst nog tegen de gevel van de kapel een gedenkplaat ter ere van de in beide oorlogen omgekomen oud-leerlingen onthuld, waarna iedereen kon aanschuiven voor het banket in de studiezaal. Op de achtermuur was een enorme wereldkaart aangebracht met de namen van alle oudleerlingen-missionarissen en hun missiepost, terwijl aan weerszijden en vanop de zijwand foto’s van diezelfde missionarissen op hun vroegere leraren en mede-leerlingen neerkeken. De avond was al gevallen, toen niet alleen de genodigden, maar ook zeer veel stedelingen zich naar de Kaaiplaats begaven voor het schouwspel dat deze feestelijke dag, voor allen en gratis, besluiten moest. Ingeleid door Thebaanse trompetten en verlicht door twee reusachtige kampvuren werd op een podium een programma met sketches, zang, dans en turnoefeningen afgewerkt, waarna de schijnwerpers zich richtten op een yacht, dat met een maquette van het college langzaam en majestueus, temidden van een vloot van kleinere zeilbootjes en een bos van toortsen, de kaai opvoer. En nog was het niet gedaan, want onmiddellijk daarna spoot een schitterend vuurwerk fonteinen van licht omhoog, totdat, “in een donderend geraas van knallende donderslagen” het in vuur geschreven woord van de dag —“Eeuwfeest 1851-1951”— in ieders geheugen werd gegrift.

                Wie het feest van toen vergelijkt met dat van vandaag kan niet om de tegenstelling heen. Dat van 1951 was zonder enige twijfel grootser en exuberanter. Waar het feest zich nu afspeelt achter de muren van het college, terwijl buiten in de winkelstraten de gewone zaterdagse drukte heerst, nam het toen zonder complexen de openbare ruimte in beslag. Zelfbewust toonde men zich aan het publiek, wetend dat men daarbij niet alleen kon rekenen op de instemming en het respect, maar ook —  op deze zondag van lang vóór de vrijetijdsindustrie — op de belangstelling en de aanwezigheid van een groot deel van de stedelijke gemeenschap. De vlaggen, het muziekkorps, de Thebaanse trompetten, de optocht, het vuurwerk, het erecomité, dit alles straalde de zelfzekerheid uit van een christelijke elite die rotsvast geloofde in haar taak als behoedster, niet alleen van het materiële maar vooral van het geestelijke welzijn van het volk. Als kweekschool van die christelijke elite speelde het college een cruciale rol, die door niemand in twijfel getrokken werd. “De Kerk,” zo had Paul van Hee, oud-leerling van het college en geestelijk directeur van Wijsbegeerte aan het Roeselaars Klein Seminarie, die ochtend tijdens de hoogmis gepreekt, “(de Kerk) is de ware opvoedster der mensheid, die door de eeuwen heen de eeuwige en heiligste waarden der beschaving beschut, en wie in de opvoeding God en Godsdienst verwaarloost, vermengt zo vaak dwaling met waarheid, gaat tasten in het duister en loopt uit op verwarring, lichtzinnigheid en levensmoeheid.” Een goed uur later had de burgemeester in het stadhuis dezelfde gedachte alleen nog wat directer geformuleerd, toen hij stelde dat het aan het College der Onbevlekte Ontvangenis te danken was, “dat onze Westhoek nog zo christelijk gebleven is, en grotendeels nog voor ongeloof en materialisme bewaard.”[1]  

                Ook wie overtuigd is van de waarde van een opvoedings- en onderwijsproject op christelijke grondslag, zou dergelijke woorden nu niet meer in de mond nemen. De maatschappij is de jongste vijftig jaar razendsnel veranderd, en dat heeft ook de Westhoek niet onberoerd gelaten. De scherpe ideologische tegenstellingen van toen tussen ‘wij’ en ‘zij’ zijn diffuser geworden, geschakeerder ook. Door een grotere openheid over en weer, ongetwijfeld; maar ook door onzekerheid, en — waarom het ontkennen? — zeer zeker ook door onverschilligheid, die in de plaats is gekomen van wat toen conformisme en gebrek aan diepgang moet zijn geweest. En ook de positie van de school zelf is veranderd. Zij is de concurrentie moeten aangaan met talrijke andere krachten die de jeugd waarden en rolmodellen aanbieden, of het nu gaat om audiovisuele media, de ontspanningsindustrie, de reclame of de politiek.  Zij stond voor de moeilijke uitdaging om soepel op allerlei nieuwe modes en tendenzen in te spelen, op straffe van fossilisering en algehele marginalisering, zonder evenwel de essentie van haar taak uit het oog te verliezen: jongeren vanuit een christelijke inspiratie kennis en kritische zin bij te brengen en idealen voor te houden. De geschiedenis van ons college van de laatste halve eeuw heeft zich grotendeels in dat spanningsveld afgespeeld. Een van de grote verdiensten van het boek Een halve eeuw college in woord en beeld van Fernand Vanhee is dan ook niet alleen dat het tegemoet komt aan onze gevoelens van vertedering en nostalgie, die met het vlieden van de tijd veeleer toe- dan afnemen, maar dat het ook laat zien hoe het college op de razendsnelle veranderingen die zich in de maatschappij voltrokken hebben, heeft gereageerd.[2]

                Hoezeer die veranderende maatschappij ook binnen de muren van het college haar invloed heeft doen voelen, wordt op een fascinerende en bijna adembenemende manier duidelijk uit de ruim 260 klasfoto’s van de laatstejaars  die in het boek zijn opgenomen. De foto’s uit de jaren veertig en vijftig getuigen van een orde die nog onwrikbaar lijkt: centraal en op de eerste rij zit de principaal, naast hem de titularis, aan de beide uiteinden de surveillanten, met daartussen en vooral daarachter: de leerlingen. Iedereen kijkt ernstig en wat stijfjes in de lens, en alle leerlingen steken in hun zondagse pak. Men voelt: dit is een plechtig moment. Dan verschijnen, vanaf het midden van de jaren vijftig, de eerste leken-leraars, en mag de ene leerling die zijn das thuis vergeten is, toch mee op de foto. Naarmate we dieper in de jaren zestig komen, worden de veranderingen groter: terwijl de geestelijken hun soutane inruilen voor het clergy-pak, eerst met Romeinse boord maar vanaf het jaar zeventig met das, grijpt de ‘ont-dassing’ — ik ontleen dit handige nieuwe woord met dank aan de auteur — onder de leerlingen steeds verder om zich heen. En dan gebeurt het: in het roemruchte jaar 1968 geeft de eerste titularis zijn centrale positie op en gaat hij als een coach nààst zijn leerlingen staan. Zijn voorbeeld vindt navolging, tot omstreeks het midden van de jaren zeventig zelfs de directeur een plaats aan de zijkant opzoekt. De ‘leiders’ zijn ‘begeleiders’ geworden; centraal staan nu de leerlingen, van wie de poses steeds losser en zelfverzekerder worden, en de kledij steeds meer wat men nu ‘casual’ noemt. Vanaf 1980 verschijnen de eerste sportschoenen, vanaf 1987 de eerste boodschappen op de T-shirts. “Birth – School – Work – Death” lezen we op zo’n shirt in 1989: het is de tijd van de ‘no future’-generatie.

 En ook de leerkrachten worden aangestoken. Het pak-met-das verliest terrein. Al op de foto’s van het jaar tachtig noteren we de eerste leraren met open hemdsknoopje, maar die waren hun tijd al te ver vooruit, of anders was het dat jaar tijdens de foto-sessies uitzonderlijk warm: de tendens zette zich in ieder geval niet meteen door. Maar vanaf het midden van de jaren negentig is het hek van de dam. Vestimentair onderscheiden de leraren zich steeds minder van hun leerlingen. De cirkel is rond. Richtten de eerste generaties zich op de wereld van de volwassenen, en kwamen ze met hun deftige pak, ernstige blik en stramme houding zelfs wat ouwelijk over, dan voegen de volwassenen zich nu naar de jeugd, zozeer zelfs dat je op sommige foto’s goed moet kijken vooraleer je in de vaak nogal jolige, informeel poserende en lang niet altijd strak gelijnde schare met zekerheid de klasseleraar of –lerares aan kunt wijzen.

                Toch zou het verkeerd zijn om uit het voorgaande meteen te besluiten dat de kloof tussen leraren en leerlingen verwaarloosbaar klein geworden is. Want schijn bedriegt, en veeleer het tegendeel is het geval. De vroegere generaties leerlingen moesten zich, goedschiks of kwaadschiks, richten naar de bakens die de volwassenen uitzetten. Wie nu les geeft (of kinderen heeft), komt vaker dan hem lief is tot de conclusie dat zich wellicht tussen de generaties ­— om met de Russische dichter Joseph Brodsky te spreken — “een doorzichtige muur bevindt, een soort ijzeren vitrage, waar je wel doorheen kunt kijken, maar die geen overdracht van levenservaring toelaat, hoogstens van wat tips — of tipjes”.[3] En ik geloof Fernand Vanhee onmiddellijk wanneer hij stelt dat de steeds sneller voorthollende jeugdcultuur de kloof tussen leraar en leerling steeds breder maakt en dat “terwijl aspirant-leraars in communicatietechnieken worden getraind, een gemeenschappelijke gespreksbasis steeds moeilijker te vinden blijkt.”[4]

                Zo’n uitspraak stemt tot nadenken, en verklaart ongetwijfeld in een belangrijke mate waarom het leraarschap — in de woorden van de dichteres Ida Gerhardt — een prachtige, maar ook hondse baan is, die van zijn beoefenaren eindeloos veel inventiviteit, inzet, geduld, weerbaarheid en geestelijke souplesse vereist.[5] En heel zeker is het een belangrijke kwaliteit van een leraar dat hij ondanks die doorzichtige muur en ijzeren vitrage zo goed mogelijk probeert te begrijpen wat elk van zijn leerlingen boeit en bezighoudt. Daarbij moet hij de idee laten varen dat hij ooit over de muur heen kan klimmen, en helemaal hun gelijke zijn. En dat is ook niet wenselijk. Onderwijzen is immers per definitie: onderwijzen aan wie nog niet weet. En aangezien wie nog niet weet vaak zelfs niet inziet waarom hij zou moeten weten wat hij nog niet weet, veronderstelt onderwijzen nu eenmaal gezag en discipline, kortom, een zo zachtmoedig mogelijk, maar toch zeer beslist uitgeoefende vorm van dwang. Niet ten onrechte vergelijkt de Spaanse filosoof Fernando Savater in zijn lezenswaardige essay De waarde van opvoeden. Filosofie van onderwijs en ouderschap het opvoedings- en onderwijsproces met een klimop die tegen een muur omhoog groeit: die muur, dat zijn de volwassenen, die aan die groene, buigzame plant zowel steun als weerstand moeten bieden.[6]

                Die dwang is echter geen tirannie, zolang hij wortelt in respect en affectie voor de leerling. Bij de lectuur van het boek van Fernand Vanhee was ik getroffen door de foto van de sculptuur die directeur Robert van Brabant in de vroege jaren zeventig op ‘het kleine koertje’ heeft laten plaatsen en dat deze laatste als volgt verklaarde: “Het rechtopstaande vlak, waartegen het geheel aanleunt, is het symbool van de school, het instituut dat de continuïteit van de opvoeding verzekert. Dan merkt men de leraar, gesteund door het instituut, die met een machtige zwaai de leerlingen tot een gemeenschap brengt en hen bezielt in hun groei naar volwassenheid. Dat brede gebaar symboliseert meteen de liefde en de genegenheid van de leraar voor de hem toevertrouwde leerlingen.”[7]

 De liefde en genegenheid van de leraar voor de hem toevertrouwde leerlingen. Zij vormen, denk ik, inderdaad de onmisbare sleutel voor goed onderwijs, nu en altijd. In de kathedraal- en kapittelscholen van de elfde en twaalfde eeuw werd de waarde van het onderwijs niet in de eerste plaats aan de belezenheid of aan de geleerdheid van de leraar afgemeten, maar aan zijn charisma, zijn vermogen om door zijn persoonlijkheid zijn leerlingen zo te boeien, dat ze zijn voorbeeld gingen navolgen. De Amerikaanse onderzoeker Stephen Jaeger die aan dit onderwerp een fascinerend boek heeft gewijd, heeft dit opvoedingsconcept in één zin samengevat: “The teacher is the curriculum” (De leraar is het programma).[8] Ook al valt er in onze maatschappij veel op dit middeleeuwse model af te dingen, ik denk dat er toch ook een diepe waarheid in steekt, en niet alleen voor het middelbaar onderwijs. Een goede vriend en collega maakte mij twee dagen geleden nog attent op een onderzoek onder jonge alumni van diverse Amerikaanse universiteiten naar hun studie-ervaringen. Hij wees me meer bepaald op de volgende aanbeveling die juist op deze charismatische dimensie van onderzoek en onderwijs betrekking heeft: “In particular, one remarkably simple suggestion comes up over and over as students reflect on their own college experience. The suggestion builds on the obvious idea that part of a great college education depends upon human relationships. One set of such relationships should, ideally, develop between each student and one or several faculty members.”[9]

Ik ben er zeker van dat hetzelfde geldt voor het middelbaar onderwijs. Als wij als oud-leerlingen terugdenken aan onze collegetijd, dan komen ons ongetwijfeld allerlei voorvallen en incidenten voor de geest, maar ik denk dat velen onder ons in de eerste plaats aan die leraar of die leraren terugdenken die door hun persoonlijkheid en charisma de eerste kiem hebben gelegd van wat een roeping, een intellectuele passie of toch tenminste een blijvende belangstelling is geworden, of dat nu literatuur, wiskunde of geschiedenis betreft, dan wel volleybal of toneelspelen.

Dat ons college gedurende de afgelopen halve eeuw veel leraren in zijn rangen heeft gehad met een hart voor hun leerlingen, wordt in het boek van Fernand Vanhee op een treffende manier gedemonstreerd. Wie het derde deel doorleest, waarin de zogenaamde parascolaire activiteiten beschreven staan, komt onder de indruk van het enthousiasme en de generositeit waarmee zoveel leraren zich naast hun officiële lesurenpakket belangeloos voor hun leerlingen hebben ingezet (bij de organisatie en begeleiding van sportmanifestaties, Rome- en andere reizen, theatervoorstellingen, UNESCO-werking, CREA-manifestaties…). Surfend naar de webstek van het college, kon ik enkele dagen geleden zelf nog vaststellen dat aan deze inzet voorlopig geen einde komt. In het gastenboek had een meisje van ergens uit het Vlaamse binnenland dan ook de verzuchting opgetekend: “'k Zou onmiddellijk zin krijgen om naar deze school te komen, alleen spijtig dat ik íetsje te ver woon.” Wij, oud-leerlingen, weten dat ze gelijk heeft. Want niet onder woorden te brengen is onze dankbare herinnering, onze erkentelijkheid jegens onze leraren, voor de inzet en de gedrevenheid waarmee zij vorm en inhoud hebben gegeven aan hun hondse, hun prachtige baan.

Frank Willaert



[1] De bovenstaande gegevens zijn ontleend aan R. Vermeulens verslag van de ‘Jubelviering bij het honderdjarig bestaan van het Bisschoppelkijk college op zondag 9 september 1951’, dat als vierde en laatste deel in Felix van den Berghes Geschiedenis van de Latijnsche Schoole en van het Bisschoppeijk College te Veurne. Veurne 1952 is opgenomen (p. 257-283).

[2] Fernand Vanhee, Een halve eeuw College Veurne in woord en beeld (secundaire afdeling), 1945-2001. Veurne: Pattyn, 2002.

[3] Joseph Brodsky, ‘Toespraak in het stadion’, in: Id., Het verdriet en de rede. Essays. Amsterdam: De Bezige Bij, 1997, p. 148-158, hier p. 150.

[4] Vanhee, Een halve eeuw… [n. 2], p. 146. 

[5] Cf. het gedicht ‘Tussenuur’ uit de indrukwekkende cyclus Sonnetten van een leraar (Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten I. Amsterdam: Athenaeum — Polak & van Gennep, 1997, p. 129).

[6] Fernando Savater, De waarde van opvoeden. Filosofie van onderwijs en wetenschap. Utrecht: Bijleveld, 2001, p. 102.

[7] Geciteerd naar Vanhee, Een halve eeuw… [noot 2], p. 55.

[8] C. Stephen Jaeger, The Envy of Angels. Cathedral Schools and Social Ideals in Medieval Europe, 950-1200. Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 1994.

[9] Richard J. Light, Making the Most of College. Students speak their minds. Cambridge (Mass.) / London: Harvard University Press, 2000, p. 84. Ik dank deze verwijzing aan mijn Utrechtse collega Frits van Oostrom.