
|
|
> Archief > Geschiedenis college > Toespraak :: Toespraak prof. Willaert Leraarschap en charisma Frank Willaert Geachte genodigden,
Een heel schooljaar lang had een inrichtend
comité onder het voorzitterschap van de principaal deze heuglijke dag
tot in de puntjes voorbereid. Een indrukwekkende stoet van zeereerwaardes
en van hooggeleerden, van hooggeachten en van hoogedelen, van geneesheren,
rechters, advocaten, notarissen en andere notabelen, vormde het erecomité,
dat de jubelviering de nodige luister moest bijzetten. En één dag eerder
had de erevoorzitter van de Bond van de oud-leerlingen, senator Marcel
Sobry, via de radio — en wel in wat vele jaren later ‘prime-time’ zou
heten: onmiddellijk na het één uur-journaal — de aard en het programma
van de feestelijkheden bekend gemaakt. En zo kon heel Veurne er getuige
van zijn hoe op die zondag in september, na een plechtige dankmis in
de Sint-Niklaaskerk, een lange optocht van geestelijken en personaliteiten,
van leraren en oud-leraren, van leerlingen en oud-leerlingen, achter
chiro-banier en pausenvaan, achter Belgische driekleur, leeuwenvlag
en Veurns blazoen, achter de Koninklijke Fanfare ‘De Melomanen’, langs
Ooststraat, Nieuwpoortstraat en Appelmarkt opstapte naar de Grote Markt,
waar onder het trompetgeschal van de Katholieke Turnmaatschappij ‘De Sporkinzonen’
voor het stedelijk gedenkteken der gesneuvelden een krans werd neergelegd
en een afvaardiging op het stadhuis ontvangen werd. Waarna men verder
ging, in een weidse boog langs Zuidstraat, Lindendreef en Sporkijnstraat
naar de Sint-Jozefszaal, voor de academische zitting, die niet alleen
met toespraken, maar met een speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde
‘Eeuwfeest-cantate’ opgeluisterd werd. Het was al diep na de middag,
toen iedereen zich naar het college begaf. Daar werd eerst nog tegen
de gevel van de kapel een gedenkplaat ter ere van de in beide oorlogen
omgekomen oud-leerlingen onthuld, waarna iedereen kon aanschuiven voor
het banket in de studiezaal. Op de achtermuur was een enorme wereldkaart
aangebracht met de namen van alle oudleerlingen-missionarissen en hun
missiepost, terwijl aan weerszijden en vanop de zijwand foto’s van diezelfde
missionarissen op hun vroegere leraren en mede-leerlingen neerkeken.
De avond was al gevallen, toen niet alleen de genodigden, maar ook zeer
veel stedelingen zich naar de Kaaiplaats begaven voor het schouwspel
dat deze feestelijke dag, voor allen en gratis, besluiten moest. Ingeleid
door Thebaanse trompetten en verlicht door twee reusachtige kampvuren
werd op een podium een programma met sketches, zang, dans en turnoefeningen
afgewerkt, waarna de schijnwerpers zich richtten op een yacht, dat met
een maquette van het college langzaam en majestueus, temidden van een
vloot van kleinere zeilbootjes en een bos van toortsen, de kaai opvoer.
En nog was het niet gedaan, want onmiddellijk daarna spoot een schitterend
vuurwerk fonteinen van licht omhoog, totdat, “in een donderend geraas
van knallende donderslagen” het in vuur geschreven woord van de dag
—“Eeuwfeest 1851-1951”— in ieders geheugen werd gegrift.
Wie het feest van toen vergelijkt met
dat van vandaag kan niet om de tegenstelling heen. Dat van 1951 was
zonder enige twijfel grootser en exuberanter. Waar het feest zich nu
afspeelt achter de muren van het college, terwijl buiten in de winkelstraten
de gewone zaterdagse drukte heerst, nam het toen zonder complexen de
openbare ruimte in beslag. Zelfbewust toonde men zich aan het publiek,
wetend dat men daarbij niet alleen kon rekenen op de instemming en het
respect, maar ook — op
deze zondag van lang vóór de vrijetijdsindustrie — op de belangstelling
en de aanwezigheid van een groot deel van de stedelijke gemeenschap.
De vlaggen, het muziekkorps, de Thebaanse trompetten, de optocht, het
vuurwerk, het erecomité, dit alles straalde de zelfzekerheid uit van
een christelijke elite die rotsvast geloofde in haar taak als behoedster,
niet alleen van het materiële maar vooral van het geestelijke welzijn
van het volk. Als kweekschool van die christelijke elite speelde het
college een cruciale rol, die door niemand in twijfel getrokken werd.
“De Kerk,” zo had Paul van Hee, oud-leerling van het college en geestelijk
directeur van Wijsbegeerte aan het Roeselaars Klein Seminarie, die ochtend
tijdens de hoogmis gepreekt, “(de Kerk) is de ware opvoedster der mensheid,
die door de eeuwen heen de eeuwige en heiligste waarden der beschaving
beschut, en wie in de opvoeding God en Godsdienst verwaarloost, vermengt
zo vaak dwaling met waarheid, gaat tasten in het duister en loopt uit
op verwarring, lichtzinnigheid en levensmoeheid.” Een goed uur later
had de burgemeester in het stadhuis dezelfde gedachte alleen nog wat
directer geformuleerd, toen hij stelde dat het aan het College
der Onbevlekte Ontvangenis te danken was, “dat onze Westhoek nog zo
christelijk gebleven is, en grotendeels nog voor ongeloof en materialisme
bewaard.”[1]
Hoezeer die veranderende maatschappij
ook binnen de muren van het college haar invloed heeft doen voelen,
wordt op een fascinerende en bijna adembenemende manier duidelijk uit
de ruim 260 klasfoto’s van de laatstejaars
die in het boek zijn opgenomen. De foto’s uit de jaren veertig
en vijftig getuigen van een orde die nog onwrikbaar lijkt: centraal
en op de eerste rij zit de principaal, naast hem de titularis, aan de
beide uiteinden de surveillanten, met daartussen en vooral daarachter:
de leerlingen. Iedereen kijkt ernstig en wat stijfjes in de lens, en
alle leerlingen steken in hun zondagse pak. Men voelt: dit is een plechtig
moment. Dan verschijnen, vanaf het midden van de jaren vijftig, de eerste
leken-leraars, en mag de ene leerling die zijn das thuis vergeten is,
toch mee op de foto. Naarmate we dieper in de jaren zestig komen, worden
de veranderingen groter: terwijl de geestelijken hun soutane inruilen
voor het clergy-pak, eerst met Romeinse boord maar vanaf het jaar zeventig
met das, grijpt de ‘ont-dassing’ — ik ontleen dit handige nieuwe woord
met dank aan de auteur — onder de leerlingen steeds verder om zich heen.
En dan gebeurt het: in het roemruchte jaar 1968 geeft de eerste titularis
zijn centrale positie op en gaat hij als een coach nààst zijn leerlingen
staan. Zijn voorbeeld vindt navolging, tot omstreeks het midden van
de jaren zeventig zelfs de directeur een plaats aan de zijkant opzoekt.
De ‘leiders’ zijn ‘begeleiders’ geworden; centraal staan nu de leerlingen,
van wie de poses steeds losser en zelfverzekerder worden, en de kledij
steeds meer wat men nu ‘casual’ noemt. Vanaf 1980 verschijnen de eerste
sportschoenen, vanaf 1987 de eerste boodschappen op de T-shirts. “Birth
– School – Work – Death” lezen we op zo’n shirt in 1989: het is de tijd
van de ‘no future’-generatie. En
ook de leerkrachten worden aangestoken. Het pak-met-das verliest terrein.
Al op de foto’s van het jaar tachtig noteren we de eerste leraren met
open hemdsknoopje, maar die waren hun tijd al te ver vooruit, of anders
was het dat jaar tijdens de foto-sessies uitzonderlijk warm: de tendens
zette zich in ieder geval niet meteen door. Maar vanaf het midden van
de jaren negentig is het hek van de dam. Vestimentair onderscheiden
de leraren zich steeds minder van hun leerlingen. De cirkel is rond.
Richtten de eerste generaties zich op de wereld van de volwassenen,
en kwamen ze met hun deftige pak, ernstige blik en stramme houding zelfs
wat ouwelijk over, dan voegen de volwassenen zich nu naar de jeugd,
zozeer zelfs dat je op sommige foto’s goed moet kijken vooraleer je
in de vaak nogal jolige, informeel poserende en lang niet altijd strak
gelijnde schare met zekerheid de klasseleraar of –lerares aan kunt wijzen.
Toch zou het verkeerd zijn om uit het
voorgaande meteen te besluiten dat de kloof tussen leraren en leerlingen
verwaarloosbaar klein geworden is. Want schijn bedriegt, en veeleer
het tegendeel is het geval. De vroegere generaties leerlingen moesten
zich, goedschiks of kwaadschiks, richten naar de bakens die de volwassenen
uitzetten. Wie nu les geeft (of kinderen heeft), komt vaker dan hem
lief is tot de conclusie dat zich wellicht tussen de generaties — om
met de Russische dichter Joseph Brodsky te spreken — “een doorzichtige
muur bevindt, een soort ijzeren vitrage, waar je wel doorheen kunt kijken,
maar die geen overdracht van levenservaring toelaat, hoogstens van wat
tips — of tipjes”.[3]
En ik geloof Fernand Vanhee onmiddellijk wanneer hij stelt dat de steeds
sneller voorthollende jeugdcultuur de kloof tussen leraar en leerling
steeds breder maakt en dat “terwijl aspirant-leraars in communicatietechnieken
worden getraind, een gemeenschappelijke gespreksbasis steeds moeilijker
te vinden blijkt.”[4]
Zo’n uitspraak stemt tot nadenken,
en verklaart ongetwijfeld in een belangrijke mate waarom het leraarschap
— in de woorden van de dichteres Ida Gerhardt — een prachtige, maar
ook hondse baan is, die van zijn beoefenaren eindeloos veel inventiviteit,
inzet, geduld, weerbaarheid en geestelijke souplesse vereist.[5]
En heel zeker is het een belangrijke kwaliteit van een leraar dat hij
ondanks die doorzichtige muur en ijzeren vitrage zo goed mogelijk probeert
te begrijpen wat elk van zijn leerlingen boeit en bezighoudt. Daarbij
moet hij de idee laten varen dat hij ooit over de muur heen kan klimmen,
en helemaal hun gelijke zijn. En dat is ook niet wenselijk. Onderwijzen
is immers per definitie: onderwijzen aan wie nog niet weet. En aangezien
wie nog niet weet vaak zelfs niet inziet waarom hij zou moeten weten
wat hij nog niet weet, veronderstelt onderwijzen nu eenmaal gezag en
discipline, kortom, een zo zachtmoedig mogelijk, maar toch zeer beslist
uitgeoefende vorm van dwang. Niet ten onrechte vergelijkt de Spaanse
filosoof Fernando Savater in zijn lezenswaardige essay De
waarde van opvoeden. Filosofie van onderwijs en ouderschap het opvoedings-
en onderwijsproces met een klimop die tegen een muur omhoog groeit:
die muur, dat zijn de volwassenen, die aan die groene, buigzame plant
zowel steun als weerstand moeten bieden.[6]
Die dwang is echter geen tirannie,
zolang hij wortelt in respect en affectie voor de leerling. Bij de lectuur
van het boek van Fernand Vanhee was ik getroffen door de foto van de
sculptuur die directeur Robert van Brabant in de vroege jaren zeventig
op ‘het kleine koertje’ heeft laten plaatsen en dat deze laatste als
volgt verklaarde: “Het rechtopstaande vlak, waartegen het geheel aanleunt,
is het symbool van de school, het instituut dat de continuïteit van
de opvoeding verzekert. Dan merkt men de leraar, gesteund door het instituut,
die met een machtige zwaai de leerlingen tot een gemeenschap brengt
en hen bezielt in hun groei naar volwassenheid. Dat brede gebaar symboliseert
meteen de liefde en de genegenheid van de leraar voor de hem toevertrouwde
leerlingen.”[7] De
liefde en genegenheid van de leraar voor de hem toevertrouwde leerlingen.
Zij vormen, denk ik, inderdaad de onmisbare sleutel voor goed onderwijs,
nu en altijd. In de kathedraal- en kapittelscholen van de elfde en twaalfde
eeuw werd de waarde van het onderwijs niet in de eerste plaats aan de
belezenheid of aan de geleerdheid van de leraar afgemeten, maar aan
zijn charisma, zijn vermogen om door zijn persoonlijkheid zijn leerlingen
zo te boeien, dat ze zijn voorbeeld gingen navolgen. De Amerikaanse
onderzoeker Stephen Jaeger die aan dit onderwerp een fascinerend boek
heeft gewijd, heeft dit opvoedingsconcept in één zin samengevat: “The
teacher is the curriculum” (De leraar is het programma).[8] Ook al valt er in onze maatschappij veel op dit middeleeuwse
model af te dingen, ik denk dat er toch ook een diepe waarheid in steekt,
en niet alleen voor het middelbaar onderwijs. Een goede vriend en collega
maakte mij twee dagen geleden nog attent op een onderzoek onder jonge
alumni van diverse Amerikaanse universiteiten naar hun studie-ervaringen.
Hij wees me meer bepaald op de volgende aanbeveling die juist op deze
charismatische dimensie van onderzoek en onderwijs betrekking heeft:
“In particular, one remarkably simple suggestion comes up over and over
as students reflect on their own college experience. The suggestion
builds on the obvious idea that part of a great college education depends
upon human relationships. One set of such relationships should, ideally,
develop between each student and one or several faculty members.”[9]
Ik ben er zeker van dat hetzelfde
geldt voor het middelbaar onderwijs. Als wij als oud-leerlingen terugdenken
aan onze collegetijd, dan komen ons ongetwijfeld allerlei voorvallen
en incidenten voor de geest, maar ik denk dat velen onder ons in de
eerste plaats aan die leraar of die leraren terugdenken die door hun
persoonlijkheid en charisma de eerste kiem hebben gelegd van wat een
roeping, een intellectuele passie of toch tenminste een blijvende belangstelling
is geworden, of dat nu literatuur, wiskunde of geschiedenis betreft,
dan wel volleybal of toneelspelen. Dat ons college gedurende de afgelopen halve eeuw
veel leraren in zijn rangen heeft gehad met een hart voor hun leerlingen,
wordt in het boek van Fernand Vanhee op een treffende manier gedemonstreerd.
Wie het derde deel doorleest, waarin de zogenaamde parascolaire activiteiten
beschreven staan, komt onder de indruk van het enthousiasme en de generositeit
waarmee zoveel leraren zich naast hun officiële lesurenpakket belangeloos
voor hun leerlingen hebben ingezet (bij de organisatie en begeleiding
van sportmanifestaties, Rome- en andere reizen, theatervoorstellingen,
UNESCO-werking, CREA-manifestaties…). Surfend naar de webstek van het
college, kon ik enkele dagen geleden zelf nog vaststellen dat aan deze
inzet voorlopig geen einde komt. In het gastenboek had een meisje van
ergens uit het Vlaamse binnenland dan ook de verzuchting opgetekend:
“'k Zou onmiddellijk zin krijgen om naar deze school te komen, alleen
spijtig dat ik íetsje te ver woon.” Wij, oud-leerlingen, weten dat ze
gelijk heeft. Want niet onder woorden te brengen is onze dankbare herinnering,
onze erkentelijkheid jegens onze leraren, voor de inzet en de gedrevenheid
waarmee zij vorm en inhoud hebben gegeven aan hun hondse, hun prachtige
baan. Frank Willaert [1] De bovenstaande gegevens zijn ontleend aan R. Vermeulens verslag van de ‘Jubelviering bij het honderdjarig bestaan van het Bisschoppelkijk college op zondag 9 september 1951’, dat als vierde en laatste deel in Felix van den Berghes Geschiedenis van de Latijnsche Schoole en van het Bisschoppeijk College te Veurne. Veurne 1952 is opgenomen (p. 257-283). [2] Fernand Vanhee, Een halve eeuw College Veurne in woord en beeld (secundaire afdeling), 1945-2001. Veurne: Pattyn, 2002. [3] Joseph Brodsky, ‘Toespraak in het stadion’, in: Id., Het verdriet en de rede. Essays. Amsterdam: De Bezige Bij, 1997, p. 148-158, hier p. 150. [4] Vanhee, Een halve eeuw… [n. 2], p. 146. [5] Cf. het gedicht ‘Tussenuur’ uit de indrukwekkende cyclus Sonnetten van een leraar (Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten I. Amsterdam: Athenaeum — Polak & van Gennep, 1997, p. 129). [6] Fernando Savater, De waarde van opvoeden. Filosofie van onderwijs en wetenschap. Utrecht: Bijleveld, 2001, p. 102. [7] Geciteerd naar Vanhee, Een halve eeuw… [noot 2], p. 55. [8] C. Stephen Jaeger, The Envy of Angels. Cathedral Schools and Social Ideals in Medieval Europe, 950-1200. Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 1994. [9] Richard J. Light, Making the Most of College. Students speak their minds. Cambridge (Mass.) / London: Harvard University Press, 2000, p. 84. Ik dank deze verwijzing aan mijn Utrechtse collega Frits van Oostrom.
|